This post is also available in:
Een arrest van het Hof van Beroep te Bergen[1] bood de gelegenheid om de notie van stuiting van de verjaring te herbekijken, een fundamenteel beginsel in het Belgisch burgerlijk recht. Deze zaak illustreert de regels die van toepassing zijn op het beginpunt van de verjaring en de voorwaarden om deze te stuiten.
Het beginpunt van de verjaring in het Belgisch recht
In contractuele aangelegenheden wordt het beginpunt van de verjaring bepaald door het gemeen recht: de verjaring begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de gebeurtenis die de verbintenis doet ontstaan zich voordoet, met andere woorden: vanaf de dag waarop de contractuele verbintenis had moeten worden nagekomen.
Voor vorderingen op basis van buitencontractuele aansprakelijkheid bepaalt artikel 2262bis, §1 van het Burgerlijk Wetboek dat de verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen “de dag na die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verergering ervan, en van de identiteit van de aansprakelijke persoon.”
Volgens de rechtspraak moet deze kennis daadwerkelijk zijn, niet louter vermoed. De benadeelde hoeft overigens niet alle gevolgen van de schade te kennen opdat de verjaring zou beginnen te lopen.
De verjaring, zowel contractueel als buitencontractueel, kan in duur worden ingekort bij overeenkomst – wat doorgaans is voorzien in de algemene bankvoorwaarden. In dat geval begint de verjaring te lopen vanaf het moment waarop de betwiste bankverrichting plaatsvindt.
De context van de zaak: aankoop van Fortis-aandelen en toekenning van leningen
In de zaak die het Hof van Beroep te Bergen onderzocht, had een belegger in 2007-2008 een aanzienlijk aantal Fortis-aandelen verworven en drie kredietlijnen onderschreven. Nadien verweet hij de bank verschillende tekortkomingen, zowel in verband met de toekenning van de kredieten als met de belegging in de aandelen.
Tijdens een procedure trachtte hij de bank aansprakelijk te stellen voor twee van de kredieten via aanvullende besluiten, maar de rechtbank verklaarde deze nieuwe vorderingen onontvankelijk.
Na deze afwijzing stelde de belegger een nieuwe vordering in om de bank aansprakelijk te stellen. De bank beriep zich echter op de verjaringstermijn van vijf jaar, terwijl de belegger aanvoerde dat de verjaring was gestuit door het neerleggen van zijn aanvullende besluiten.
De door het Hof in herinnering gebrachte rechtsregels
Het Hof van Beroep te Bergen onderzocht de argumenten van beide partijen en herinnerde aan enkele kernprincipes:
- Stuiting van de verjaring: Volgens artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek is een aanmaning, zoals een dagvaarding, vereist om de verjaring te stuiten. Ook een vordering geformuleerd in besluiten kan een stuitende werking hebben, op voorwaarde dat ze strekt tot erkenning van een recht.
- Virtueel vervatte vordering: Volgens de rechtspraak is een vordering virtueel vervat in een oorspronkelijke vordering indien ze gebaseerd is op dezelfde feiten en een nauw en vanzelfsprekend verband heeft met het voorwerp van de hoofdvordering. De verweerder moet redelijkerwijze kunnen verwachten dat deze vordering later zal worden geformuleerd.
Besluit van het Hof
In dit geval oordeelde het Hof dat de betwiste kredieten verschillend waren en dat de vorderingen met betrekking tot twee ervan niet virtueel vervat waren in de oorspronkelijke vordering. De verjaring was dus niet gestuit, en de nieuwe vordering werd als verjaard verklaard.
[1] Bergen, 21 september 2020, niet gepubliceerd
Geef een reactie