This post is also available in:
De zaak: een verjaringsvraag
Eind jaren 90 sloot een echtpaar een hypothecair krediet dat de verplichte onderschrijving voorzag van een schuldsaldoverzekering ten belope van 100% op het hoofd van de man, via de kredietverlenende bank. In 2004 tekende de vrouw, opnieuw via de bank, een verzekeringsvoorstel ten belope van 50% van het krediet voor de resterende looptijd, terwijl de man de vermindering van het op zijn hoofd verzekerde percentage tot 50% vroeg. Enkele dagen later vroeg de verzekeraar de vrouw het eerder onvolledig teruggestuurde medische formulier aan te vullen. Zij deed dat, maar uiteindelijk werd geen enkel polisdocument ondertekend. Tien jaar later overleed de vrouw. De bank deelde haar erfgenamen mee dat het hypothecair krediet niet door een schuldsaldoverzekering was gedekt en vorderde de terugbetaling van het krediet van de erfgenamen, samen met de man.
De juridische argumenten: artikel 57 van de verzekeringswet en de informatie- en adviesplicht van de bank
De erfgenamen van de vrouw en de man dagvaardden de verzekeraar en de bank als verzekeringstussenpersoon. Tegen de verzekeraar riepen zij artikel 57 van de verzekeringswet van 4 april 2014 in, volgens hetwelk de verzekeraar, indien hij binnen dertig dagen na ontvangst van het voorstel de aanvrager geen aanbod, geen ondergeschiktheid van de verzekering aan een onderzoek, of geen weigering heeft meegedeeld, verplicht is de overeenkomst te sluiten op straffe van schadevergoeding. Tegen de bank riepen zij de aansprakelijkheid van de bankier in, met een schade gelijk aan het bedrag dat zij hadden moeten terugbetalen, op grond van een tekortkoming aan de informatie- en adviesplicht: de bank had hen doen geloven dat er dekking bestond en had het bestaan ervan niet nagegaan doorheen de verschillende wijzigingen van het krediet sinds 2004.
De beslissing: het vertrekpunt van de verjaringstermijn
De verzekeraar en de bank riepen de driejarige verjaring van artikel 88 van de verzekeringswet in. De rechtbank gaf de verzekeraar op dit punt gelijk, maar de bank niet: tegen de bank vloeit de vordering niet voort uit de verzekeringsovereenkomst, zodat de gemeenrechtelijke regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid van toepassing zijn (artikel 2262bis, § 1 van het Burgerlijk Wetboek). Daar loopt de termijn vanaf het ogenblik waarop het slachtoffer kennis kreeg van de schade en van de identiteit van de dader.
De rechtbank verwierp het argument van de erfgenamen dat de schade pas bij het overlijden en het nieuws dat geen verzekering het dekte, zou zijn ontstaan. Zij benadrukte dat, zelfs indien de vrouw haar belang bij het sluiten van de verzekering had behouden, noch zij noch haar man zich ooit hadden verwonderd over het niet ontvangen van een te ondertekenen polis, over het niet ontvangen van premieverzoeken, over het niet betalen van premies of het niet ontvangen van de bijhorende fiscale attesten, gedurende bijna tien jaar vóór het overlijden, terwijl de man dergelijke attesten wel ontving. Hun aandacht had spontaan door die elementen moeten worden getrokken, en vanaf uiterlijk 2010 konden zij over de informatie beschikken die elke twijfel over de schade en de dader wegnam. Een aansprakelijkheidsvordering tegen de bank ingesteld na 2015, zoals hier, is dan ook verjaard.
Om de aansprakelijkheid van de bank of een tussenpersoon in te roepen, moet de cliënt zorgvuldig en actief zijn, en het bewijs bewaren
De cliënt mag niet passief blijven en zich beperken tot het ondertekenen van documenten. Als voorzichtig en zorgvuldig persoon moet de cliënt waakzaam blijven, vragen stellen aan de professioneel, in het bijzonder bij ongerustheid of onbegrip, en, cruciaal, voldoende bewijs bewaren van die vragen en van zijn handelingen tegenover de professioneel.
Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.
Geef een reactie