This post is also available in:
Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 15 van 24 april 2020 betreffende het tijdelijk uitstel ten gunste van ondernemingen van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen tijdens de Covid-19-crisis, was het tot 17 juni niet langer toegestaan om als schuldeiser het faillissement van een onderneming te vorderen, een bewarend of uitvoerend beslag te leggen, of een krediet op te zeggen wegens wanbetaling.
Een verduidelijking is nodig: de wanbetaling op het krediet moet na 18 maart 2020 zijn ontstaan opdat de uitvoeringsmaatregelen op grond van die tekortkoming verboden zouden zijn. Zo niet kan de onderneming geen aanspraak maken op de bescherming van het tijdelijke uitstel en blijft zij blootgesteld aan de opzegging van haar kredieten door de bank.
De bank mag de kredietopeningen en andere leningen opzeggen, voor zover zij vooraf een beslissing heeft verkregen van de voorzitter van de territoriaal bevoegde ondernemingsrechtbank, zetelend zoals in kort geding, die bevestigt dat de onderneming buiten het toepassingsgebied van het besluit valt. Het is ook mogelijk de opheffing van het uitstel te vragen wanneer bijzondere omstandigheden dit verantwoorden, wat eveneens tot de opzegging van het krediet leidt.
Wij hebben de proef op de som genomen door op een vrijdag in mei, de dag van ontvangst van het dossier, een dagvaarding neer te leggen. Aangezien de verschijningstermijn die van het kort geding is, kon de zaak op de eerste nuttige zitting van de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden ingeschreven, namelijk de daaropvolgende vrijdag. De rechterlijke beslissing die bevestigde dat de kredietnemer van het uitstel was uitgesloten, werd diezelfde dag genomen en overgemaakt. De opzegging van het krediet kon plaatsvinden. Het volstond dus 8 dagen om een rechterlijke beslissing te verkrijgen die de bank toeliet een krediet met achterstallen van vóór 18 maart 2020 op te zeggen (onder voorbehoud van hoger beroep).
Ten slotte werd, aangezien de ingestelde vordering niet in geld waardeerbaar was, de rechtsplegingsvergoeding op 1.440 EUR gebracht. De kosten van de procedure werden dus niet door de bank gedragen.
Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.
Geef een reactie