Verlies van een bankkaart en fraude: de aansprakelijkheidsverdeling tussen bank en kaarthouder

This post is also available in: Français (Frans) English (Engels)

Aan de hand van een concreet geval van verlies van een bankkaart en frauduleuze verrichtingen op de rekening van een cliënt, komen wij terug op de respectieve aansprakelijkheden van de bank en de cliënt in deze materie (de betalingsdiensten), net zoals bij phishing.

De cliënt die dacht dat zijn kaart was ingeslikt

Een cliënt verrichtte bankverrichtingen aan een automaat (ATM) in een bankkantoor. Zijn kaart werd er ingeslikt… althans, dat dacht hij. In werkelijkheid was de cliënt, volgens het proces-verbaal van zijn latere politieverhoor, afgeleid door een man achter hem terwijl hij zijn rekeninguittreksels afhaalde. Die man wees hem erop dat twee biljetten van 5 EUR op de grond lagen. Nadat hij de biljetten had opgeraapt, stelde de cliënt vast dat het scherm van de automaat was veranderd en hem werd gevraagd zijn kaart in te voeren.

In de overtuiging dat zijn kaart was ingeslikt, en zonder ze te kunnen recupereren, verliet hij het kantoor. De volgende ochtend stelde hij in het kantoor vast dat zijn kaart in werkelijkheid tijdens de nacht frauduleus was gebruikt [1]. Hij deed aangifte van het verlies of de diefstal, liet de kaart blokkeren en verzocht de bank om tussenkomst, met toepassing van artikel 36 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten [2].

De bank weigerde tussen te komen, een standpunt dat door Ombudsfin werd gedeeld, op grond van artikel 37 van de wet: de cliënt zou grof nalatig zijn geweest omdat het verzet tegen de kaart pas daags na de feiten, en dus laattijdig, was gebeurd. De rechtbank van eerste aanleg te Brussel volgde die redenering en wees de vordering af. Volgens de rechtbank had het verzet onmiddellijk op de avond van de feiten moeten gebeuren.

In beroep: een kaart die men ingeslikt waant, is geen verloren of gestolen kaart

Hoewel de wet van 10 december 2009 intussen werd vervangen [3], blijven de begrippen waarnaar deze beslissing verwijst actueel, met name inzake phishing.

Voor het hof van beroep te Brussel valt de vaststelling, of de overtuiging, dat een kaart is ingeslikt niet strikt samen met het verlies, de diefstal, het onrechtmatig gebruik of het niet-toegestaan gebruik van de kaart in de zin van de wet. In casu bevatte enkel een contractuele bepaling aan het einde van het Algemeen Reglement der Verrichtingen van de bank, als voorzichtigheidsadvies en niet als contractuele verplichting, de aanbeveling om Card Stop te verwittigen van elk incident bij het gebruik van een betaalkaart.

Gelet op de omstandigheden oordeelde het hof dat grove nalatigheid in hoofde van de cliënt niet was aangetoond. De manoeuvres waarvan hij in het kantoor het voorwerp was geweest, hadden immers precies tot doel hem te doen geloven dat zijn kaart was ingeslikt en te verhinderen dat hij zou begrijpen dat ze hem was ontfutseld.

De beginselen: aansprakelijkheid bij frauduleus gebruik van een bankkaart

Onder het huidige recht draagt de kaarthouder, zoals bij phishing, bij een betaling met een gestolen bankkaart slechts tot 50 EUR de aansprakelijkheid voor de verrichtingen die plaatsvinden vóór de kennisgeving aan de bank. Zijn de niet-toegestane verrichtingen het gevolg van bedrieglijk of grof nalatig gedrag van de houder, dan draagt deze de volledige aansprakelijkheid.

Nalatigheid is een subjectief begrip dat aan de beoordeling van de rechter wordt overgelaten. Van de houder van een betaalinstrument wordt niettemin verwacht dat hij het gebruikt overeenkomstig de uitgiftevoorwaarden, alle redelijke maatregelen neemt om de veiligheid van het instrument en de vertrouwelijkheid van de eraan verbonden gegevens te waarborgen, en de uitgever onmiddellijk verwittigt van elk verlies, elke diefstal of elk onrechtmatig of niet-toegestaan gebruik [4].

Moet de perceptie van de feiten door het slachtoffer meetellen?

Professor Steennot becommentarieerde deze beslissing, die een belangrijke vraag opwerpt: moet bij de beoordeling van de eventuele nalatigheid rekening worden gehouden met de wijze waarop de kaarthouder de feiten heeft ervaren [5]?

Net als deze auteur menen wij dat het verkieslijk is, en in overeenstemming met het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht en het rechtszekerheidsbeginsel, de situatie objectief te beoordelen, en niet aan de hand van de wijze waarop de houder verklaart de situatie te hebben ervaren. De analyse moet rekening houden met alle omstandigheden van de zaak en met het gedrag dat een voorzichtig persoon in een identieke situatie zou aannemen.


[1] Dit type gevallen komt vaak voor. In 2019 telde Ombudsfin 95 fraudedossiers bij verlies of diefstal van een kaart (tegenover 221 dossiers over niet-toegestane betalingen op afstand). Zie het jaarverslag op ombudsfin.be. De beslissing in beroep: Brussel, 14 november 2019, D.B.F., 2020/2, p. 71 e.v., noot R. Steennot.

[2] Deze regels staan vandaag in Boek VII van het Wetboek van economisch recht, zoals gewijzigd na de omzetting van de PSD II-richtlijn (EU) 2015/2366 door de wetten van 11 maart 2018 en 19 juli 2018.

[3] Zie hierboven; de inhoud van de bepalingen blijft vergelijkbaar.

[4] Artikel VII.38 van het Wetboek van economisch recht.

[5] R. Steennot, “Niet-toegestane betalingstransacties: de kennisgevingsverplichting eng ingevuld”, D.B.F., 2020/2, p. 75.

Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.

Geef een reactie

Omhoog ↑

Ontdek meer van Banking and Finance law in Belgium

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder