De zaak Kobelco en de aansprakelijkheid van tussenpersonen: het aangeboden product goed kennen

This post is also available in: Français (Frans) English (Engels)

De feiten: een verzekeringsmakelaar bood zijn cliënt Koblis aan

De zaak Kobelco maakte eind jaren 2000 veel ophef in Vlaanderen. De vennootschap Kobelco, actief in de levensverzekeringssector vóór zij in 2009 failliet werd verklaard, bood beleggers met name een product aan met de naam KOBLI, dat een belegging van een bepaald bedrag op een horizon van één jaar voorzag, tegen betaling van een aantrekkelijke rentevoet van meer dan 4% op de vervaldag. Tussen 2006 en 2009 was een verzekeringsmakelaar, tevens agent in bankdiensten, de tussenpersoon tussen een cliënt en de vennootschap Kobelco. De cliënt had drie jaar op rij in dit product belegd, dat melding maakte van een kapitaal bij overlijden en een kapitaal bij leven. Deze twee laatste vermeldingen deden vermoeden dat het om verzekeringsovereenkomsten ging. Dat was het geval in de ogen van de cliënt-belegger alsook in de ogen van de tussenpersoon, die dan ook meende als verzekeringsmakelaar op te treden voor de distributie van dit product.

In werkelijkheid was dat niet het geval: de term begunstigde was slecht gekozen door de bestuurders van Kobelco; volgens hen was de belegging een lening en geen levensverzekeringsovereenkomst. Welnu, de openbare aanbieding van een dergelijk financieel instrument was, in hoofde van Kobelco, in strijd met artikel 4 van de toen geldende bankwet, dat het monopolie van het openbaar beroep om gelddeposito’s of andere terugbetaalbare gelden te ontvangen in beginsel voorbehield aan de kredietinstellingen. Het bleef evenwel mogelijk voor elke andere onderneming, zoals thans, beleggingsinstrumenten uit te geven die de ontvangst van terugbetaalbare gelden materialiseren, op voorwaarde dat de bepalingen van de prospectuswet worden nageleefd (opstelling van een prospectus indien de aanbieding van de beleggingsinstrumenten een openbaar karakter heeft, goedkeuring van dat prospectus door de bevoegde autoriteit, goedkeuring van de mededelingen met promotioneel karakter, naleving van de wettelijke vereisten inzake bemiddeling, enz.). Kobelco had zich evenwel niet naar die wet geschikt.

De cliënt was nochtans tevreden over het rendement en hernieuwde zijn belegging bij de verzekeringstussenpersoon, tot het faillissement van de emittent. Na twee jaar herhaalde beleggingen in het product Kobli had de belegger in 2009 opnieuw een beleggingsovereenkomst ondertekend. Maar ingevolge het faillissement van Kobelco dat jaar zag de belegger zijn terugbetalingsvooruitzichten wegdeemsteren. Pas in 2016 werd hem de oninbaarheid van zijn schuldvordering bevestigd en besliste hij de verzekeringstussenpersoon in aansprakelijkheid te dagvaarden, maar ook de bank waarvan hij de bankagent was. Zodra de cliënt de tussenpersoon en de bank dagvaardt, is het aansprakelijkheidsrecht van toepassing, in combinatie met de specifieke bepalingen van het bankrecht.

Relevante vragen in het aansprakelijkheidsrecht van de tussenpersoon in bankdiensten en de verzekeringsmakelaar

Had de tussenpersoon in bankdiensten en verzekeringsmakelaar een fout begaan? Stond de eventuele door de tussenpersoon begane fout in oorzakelijk verband met de door de cliënt aangevoerde schade? Met andere woorden, indien de tussenpersoon zijn cliënt correct over de werkelijke aard van de Koblis had ingelicht, zou de cliënt zich dan van de belegging in het obligatieproduct hebben onthouden, zodat zijn schade zich niet zou hebben voorgedaan? Zou de cliënt, gelet op het faillissement van Kobelco, uiteindelijk niet hetzelfde verlies hebben geleden? Was de oorzaak van de schade, in de veronderstelling dat zij verband hield met een gebrekkige informatie van de cliënt, overigens toerekenbaar aan de makelaar of veeleer aan Kobelco, de emittent die zelf onjuiste informatie aan het publiek had meegedeeld en dit had misleid over de aard van het litigieuze financiële instrument? Droegen de twee fouten bij tot de schade, wat een aansprakelijkheid in solidum mogelijk maakte? Ten slotte, indien de aansprakelijkheid van de tussenpersoon in het gedrang zou komen, moest die aansprakelijkheid dan ook door de bank worden gedragen op grond van de wet van 22 maart 2006, aangezien de bank in werkelijkheid niets afwist van de activiteiten die de tussenpersoon volgens hem als verzekeringsmakelaar uitoefende, en geen enkele verwijzing naar de bank was opgenomen in de door de cliënt ondertekende inschrijvingsovereenkomst?

Krachtens de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten, zijn de agenten in bankdiensten tussenpersonen die in naam en voor rekening van één enkele gereglementeerde onderneming handelen, op grond van een lastgevingsovereenkomst. De samenwerking tussen een bankagent en de gereglementeerde onderneming die hem mandateert, maakt het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst. Deze overeenkomst legt de door de agent na te leven boekhoudkundige en administratieve procedures vast en bepaalt uitdrukkelijk dat de agent enkel in naam en voor rekening van de lastgever bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten mag verzekeren. Zij bepaalt eveneens de andere activiteiten dan de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten die met het mandaat van agent kunnen worden gecumuleerd. In de praktijk oefent een agent in bankdiensten vaak ook de activiteit van verzekeringstussenpersoon uit, als makelaar, vrij van enige exclusiviteitsverplichting ten aanzien van een lastgever, wat de distributie van verzekeringsproducten betreft. Vanuit het oogpunt van de aansprakelijkheid bepaalt de wet eveneens dat de agent in bank- en beleggingsdiensten, wat zijn bemiddelingsactiviteit betreft, handelt onder de volledige en onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid van zijn lastgever.

De rechtspraak van de rechtbank over de aansprakelijkheid van de banktussenpersoon/verzekeringsmakelaar in het beschreven geval

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft zich meermaals uitgesproken, en zeer recent in 2019. In de eerste plaats verwerpt de rechtbank het niet-aangetoonde bestaan van een beleggingsadvies dat de tussenpersoon aan de cliënt zou hebben verstrekt, of van enige andere vorm van aansporing tot beleggen. Zij oordeelt niettemin dat de tussenpersoon een fout heeft begaan, gelet op de onvolledige uitvoering van zijn informatieplicht. In de tweede plaats oordeelt de rechtbank dat deze begane fout niet in oorzakelijk verband staat met de aangevoerde schade. Voor de rechtbank laat niets toe te denken dat, voor de belegger, een correcte informatie over de kenmerken van het verworven product hem ertoe zou hebben gebracht niet in het door Kobelco uitgegeven product te beleggen: de cliënt trachtte eenvoudigweg te beleggen bij een vennootschap die destijds een goede reputatie genoot, over een duur van één jaar, voor een bepaald bedrag, tegen een intrest. Voor de rechtbank ligt de oorsprong van de schade van de cliënt eveneens in het foutieve en misleidende gedrag van de verantwoordelijken van Kobelco, die de te onderschrijven overeenkomsten op onjuiste, onvolledige en misleidende wijze hadden voorgesteld. Gelet op het ontbreken van aansprakelijkheid van de tussenpersoon, zal de rechtbank de eventuele aansprakelijkheid die de bank had kunnen moeten dragen, niet analyseren.

Had de bank aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de fout van haar agent, terwijl die meende als verzekeringsmakelaar op te treden? In een gelijkaardig geval trachtte de cliënt de aansprakelijkheid van de bank in te roepen voor de handelingen van haar agent, aangezien die, ondanks zijn foutieve overtuiging verzekeringsmakelaar te zijn, als tussenpersoon in beleggingsdiensten had gehandeld. De rechtbank benadrukte dat artikel 10, § 4 van de wet van 22 maart 2006, dat de aansprakelijkheid van de lastgever ten aanzien van de derde voor de handelingen van de tussenpersoon vastlegt, op zich een beperking bevat, aangezien het bepaalt dat die aansprakelijkheid slechts geldt wanneer de tussenpersoon handelt wat zijn bemiddelingsactiviteit in bank- en beleggingsdiensten betreft. De bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten wordt van haar kant in artikel 4, 1° van de wet gedefinieerd als de activiteit die erin bestaat spaarders en beleggers enerzijds en gereglementeerde ondernemingen anderzijds met elkaar in contact te brengen, met inbegrip van de promotie die ertoe strekt, voor rekening van een gereglementeerde onderneming, een of meer bank- en beleggingsdiensten op te zetten. Gelet op die definitie had de rechtbank vastgesteld dat de tussenpersoon de cliënt en de gereglementeerde onderneming (de bank) waarvan zij de agent was, niet met elkaar in contact had gebracht. Hij oefende dus geen bemiddelingsactiviteit in de zin van de wet uit, die aanleiding had kunnen geven tot de aansprakelijkheid van de bank. In werkelijkheid had de tussenpersoon, voor de aan de rechtbank voorgelegde feiten, als agent van de vennootschap Kobelco gehandeld en niet als agent van de bank. De redenering van de rechtbank werd op alle punten bevestigd door het hof van beroep op 6 september 2018.

Bijkomende vraag: had de bank kunnen worden verontrust door de handelingen van haar agent op grond van het schijnmandaat? Merken we nog op dat in de laatstgenoemde zaak geen sprake kon zijn van enige schijn van bemiddeling of schijnmandaat, dat de bank en de eindcliënt zou kunnen binden in geval van aansprakelijkheid van de tussenpersoon. Aangezien de naam van de bank op geen enkel ogenblik op de litigieuze overeenkomst was vermeld, waren de voorwaarden opdat de schijn een bron van recht zou zijn, niet vervuld. Deze conclusie werd met name versterkt door het feit dat de belegging in de Kobelco-producten niet was opgenomen in de uittreksels van de effectenrekeningen van de cliënten, wat dus elk rechtmatig vertrouwen van de cliënt in het optreden van de bank als lastgever uitsloot. Overigens had de bank ook de voorzorg genomen haar cliënten, in de contractuele documenten die haar met hen verbonden, te waarschuwen dat zij enkel gebonden en aansprakelijk was voor de documenten die haar naam en logo bevatten, en voor zover zij medeondertekend waren door personen die gemandateerd waren om haar te vertegenwoordigen. Ten slotte werd op het briefpapier van de tussenpersoon duidelijk bepaald dat hij niet alleen bankagent was, maar ook vastgoedmakelaar en verzekeringsmakelaar.

Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.

Geef een reactie

Omhoog ↑

Ontdek meer van Banking and Finance law in Belgium

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder