Aansprakelijkheid van de bank bij opzegging van een hypothecair krediet: de draagwijdte van een proces-verbaal van verzoening

This post is also available in: Français (Frans) English (Engels)

Drie categorieën van beëindigingsgronden van de kredietovereenkomst

In het Belgische bankrecht en kredietrecht kunnen verschillende gebeurtenissen een einde stellen aan de contractuele relaties. De rechtsleer deelt de gronden van uitdoving van de kredietovereenkomst in drie categorieën in [1]. Ten eerste, de ontbindingswijzen eigen aan intuitu personae-overeenkomsten, wanneer zich een omstandigheid voordoet betreffende de partij in wier hoofde de intuitu personae bestaat: overlijden, faillissement, onbekwaamheid, kennelijk onvermogen of elke andere omstandigheid die een als essentieel beschouwd element van de medecontractant zelf raakt. Ten tweede, het uitdrukkelijk ontbindend beding, dat de bankier toelaat het krediet te beëindigen wanneer gebeurtenissen het krediet aan het wankelen brengen of de zaken van de gekrediteerde in wanorde brengen. Ten derde, het algemeen rechtsbeginsel eigen aan overeenkomsten van onbepaalde duur, krachtens hetwelk elke partij te allen tijde een einde kan stellen aan de overeenkomst, verantwoord door de bescherming van de individuele en commerciële vrijheid en de vrije mededinging [2].

Voor de gereglementeerde kredieten (hypothecair krediet, consumentenkrediet) is de opzegging bovendien strikt omkaderd door het Wetboek van economisch recht.

Meest voorkomende gevallen van aansprakelijkstelling van de bankier

Inzake kredietopzegging wordt de aansprakelijkheid van de bankier het vaakst in vraag gesteld in de volgende gevallen: de bestanddelen van het uitdrukkelijk ontbindend beding zijn niet vervuld; de voorwaarden van een eenzijdige ontbinding zijn niet vervuld; de ingeroepen motivering is onjuist, ontbrekend of ontoereikend; de conventionele opzegtermijn wordt niet nageleefd; of de bank maakt misbruik van haar recht. Buiten die gevallen, en buiten de strikt wettelijk opgesomde gronden voor gereglementeerde kredieten, wordt aangenomen dat de beslissing van de bankier om een krediet op te zeggen discretionair is en niet moet worden verantwoord, onder voorbehoud van rechtsmisbruik.

Een bijzonder geval na de verplichte voorafgaande verzoeningspoging (hypothecair krediet aan consumenten)

Een gerechtelijke zaak betrof de opzegging van twee hypothecaire kredieten aan particuliere consumenten, onderworpen aan Boek VII van het Wetboek van economisch recht. Die regels bepalen met name dat de hypothecaire schuldeiser de schuldenaar voor de beslagrechter moet oproepen voor een verzoeningspoging, voorafgaand aan elke uitvoeringsmaatregel [3].

De kredieten vertoonden achterstallen. De bank riep de schuldenaars op in verzoening, overeenkomstig artikel VII.147/24, eerste lid van het Wetboek. Een proces-verbaal van verzoening werd opgesteld. Het voorzag in de betaling van de achterstal in 10 maanden, bovenop de contractuele maandaflossing, en bevatte een vervalbeding bij wanbetaling zoals bepaald in het proces-verbaal. De verzoeningsvoorwaarden werden niet nageleefd: er volgde geen enkele betaling, behalve gedeeltelijk in de tiende en laatste maand. De bank stuurde vier herinneringen, zegde vervolgens de kredieten op en liet de schuldenaars registreren bij de Centrale voor kredieten aan particulieren.

De schuldenaars betwistten de opzegging op grond van artikel VII.147/20 van het Wetboek, dat de opzegging slechts toelaat na een betalingsachterstand van ten minste twee termijnbedragen en na een aangetekende ingebrekestelling door de bank. Volgens hen stonden op de dag van de opzegging slechts twee maandaflossingen open, acht dagen later geregulariseerd, zonder voorafgaande ingebrekestelling.

Enkele beginselen over de verzoening voor de beslagrechter

Het hof van beroep bevestigde de geldigheid van de opzegging en herhaalde enkele beginselen. De beslagrechter, die de partijen in raadkamer moet ontmoeten, wat in de praktijk niet altijd gebeurt, speelt een actieve rol in de onderhandeling, maar mag de partijen niet de indruk geven dat hij standpunt inneemt. Het proces-verbaal van verzoening is een authentieke akte, die van de uitvoerbare formule kan worden voorzien (artikel 733 Gerechtelijk Wetboek), maar heeft geen jurisdictioneel karakter (artikel 20 Gerechtelijk Wetboek). Er kan niet worden voorgehouden dat de maandaflossingen zonder achterstand op het ogenblik van de verzoening buiten het akkoord vallen. Voorziet het proces-verbaal in een betaling in X maanden, bovenop de contractuele maandaflossing, dan moeten de aanzuiveringsbetalingen gelijktijdig met de verschuldigde maandaflossing gebeuren en zijn zij periodiek van aard. Het vervalbeding betreft bovendien niet enkel de achterstallen die bestonden op het ogenblik van de verzoeningszitting: elke wanbetaling van een in de kredietovereenkomst voorziene maandaflossing volstaat om het verval van het betalingsplan vast te stellen.

Samengevat komt de voorafgaande formaliteit, de verzoening voor de beslagrechter, neer op één enkele joker voor de schuldenaars. Elke tekortkoming aan het verzoeningsplan of aan de betaling van een toekomstige maandaflossing laat de bank toe de uitvoering van haar schuldvordering voort te zetten. Het proces-verbaal van verzoening gaat niet op in het bestaande hypothecair krediet en vormt evenmin een nieuw hypothecair krediet dat de bank zou verplichten opnieuw aan artikel VII.147/20 van het Wetboek te voldoen bij niet-naleving van het overeengekomen plan.

Een arrest van het hof van beroep te Brussel [4] herinnerde er nog aan dat de bankier niet kan worden verweten te kiezen voor de opzegging van een krediet in plaats van de normale uitvoering ervan, wanneer de gekrediteerde zijn contractuele verplichtingen nooit normaal heeft uitgevoerd. Enkel wanneer de bankier het krediet op brutale wijze opzegt, kan hij zijn aansprakelijkheid in het gedrang brengen.


[1] J. Linsmeau, “Les responsabilités du banquier”, T.P.D.C., dl. 5, 2007, pp. 461-462, nr. II 623.

[2] P. Wéry, Droit des obligations, vol. 1, Brussel, Larcier, 2010, p. 825, nr. 980.

[3] Luik, 18 december 2019, onuitg., A.R. 2018/RG/1117.

[4] Brussel, 15 september 2019, onuitg., A.R. 2007/1168.

Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.

Geef een reactie

Omhoog ↑

Ontdek meer van Banking and Finance law in Belgium

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder