This post is also available in:
Situering van de vraag
De kwalificatie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten roept verschillende vragen op over het regelgevend kader voor verzekeringstussenpersonen en over hun aansprakelijkheid wegens schending van de adviesplicht, die in een eerder artikel aan bod kwamen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest C-542/16 van 31 mei 2018, op prejudiciële verwijzing, voor recht gezegd dat financieel advies over de belegging van een kapitaal, verstrekt in het kader van verzekeringsbemiddeling bij het sluiten van een kapitaallevensverzekering, onder Richtlijn 2002/92 betreffende verzekeringsbemiddeling valt, en niet onder MiFID [1]. Beleggingsadvies van verzekeringstussenpersonen valt dus buiten MiFID, op grond van de vrijstelling van artikel 2, lid 1, c) van MiFID I.
Wij becommentarieerden ook een beslissing van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel die de verplichtingen van verzekeringstussenpersonen belichtte. Gelet op het verzekeringskarakter van een aan een beleggingsfonds gekoppelde levensverzekering, beoordeelde de rechtbank de aansprakelijkheid van de tussenpersonen aan de hand van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.
Illustratie: is een levensverzekeringsproduct een financieel product?
Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 oktober 2020 [2] biedt de gelegenheid deze reflectie te verdiepen. De zaak kadert in beleggingen die particulieren in de jaren 2000 deden in verzekeringspolissen van een vennootschap naar Iers recht. De premies waren belegd in verschillende beleggingsfondsen, die in 2009 en 2011 werden geschorst. Voor de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel vorderden de beleggers/verzekerden de nietigheid van de polissen wegens wilsgebrek en stelden zij de precontractuele, minstens contractuele, aansprakelijkheid van de verzekeringsmaatschappij in vraag.
De verjaring in het verzekeringsrecht is korter, ook voor een levensverzekering
In verzekeringszaken verjaart de vordering tot nietigverklaring drie jaar na de gebeurtenis die aanleiding geeft tot de vordering, overeenkomstig artikel 88, § 1 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, dat de verjaringstermijn van elke vordering uit de verzekeringsovereenkomst op drie jaar bepaalt.
De rechtbank vroeg het Grondwettelijk Hof of artikel 88 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het duidelijk kortere termijnen bepaalt dan het gemeen recht (artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek voor de nietigheid, artikel 2262bis voor persoonlijke vorderingen), en aldus een onverantwoorde discriminatie zou creëren tussen wie belegde in een tak 23-levensverzekering en wie belegde in een financieel instrument of beleggingsproduct gekoppeld aan een onderliggend fonds. Volgens de verzekerden zijn beide categorieën economisch en juridisch vergelijkbaar, met name wat het gelopen risico betreft; dat verantwoordde volgens hen precies de “mifidisering” van het verzekeringsrecht op Europees niveau.
De verzekeringsmaatschappij hield integendeel voor dat een levensverzekeringsproduct geen financieel product is, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie [3] en naar verschillende Belgische vonnissen. Aan financiële instrumenten gekoppelde verzekeringsproducten zijn verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten, maar geen financiële instrumenten in de zin van Richtlijn 2014/65/EU (MiFID II). De levensverzekering onderscheidt zich bovendien door de mogelijkheid voor de verzekerde om een andere begunstigde dan zichzelf aan te wijzen, door de gedeeltelijke aftrekbaarheid van de premie en door het bestaan van een onzeker voorval, gekoppeld aan het leven van de verzekerde.
Op meerdere vlakken onderscheiden producten
Naast de reeds vermelde verschillen onderscheiden beide producten zich onder meer wat betreft de weerslag van het overlijden van de titularis op de overeenkomst, de zakelijke of persoonlijke aard van het recht van de titularis op de belegging, en de overdraagbaarheid van de rechten. Tak 23-levensverzekeringen zijn bovendien onderworpen aan Richtlijn (EU) 2016/97 betreffende verzekeringsdistributie, en de verzekeringsrechtelijke verjaringsregels zijn erop van toepassing.
Het Hof oordeelt dat wie belegde in een tak 23-levensverzekering en wie belegde in een financieel instrument gekoppeld aan een onderliggend fonds, zich in objectief verschillende omstandigheden bevinden, gelet op de respectieve kenmerken van de producten en de aard van de gesloten overeenkomst: een verzekeringsovereenkomst dan wel een andere overeenkomst.
Economische gelijkenissen (band met beleggingsfondsen)
Het Hof erkent dat tak 23-levensverzekeringen economisch gelijkenissen vertonen met beleggingen in fondsgebonden financiële instrumenten: beide zijn gekoppeld aan beleggingsfondsen en de particulier draagt alleen het financiële risico. Zij behouden evenwel de hoofdkenmerken van de verzekeringsovereenkomst, met name de mogelijkheid om een andere begunstigde aan te wijzen en het onzekere voorval gekoppeld aan het leven van de verzekerde, en genieten bovendien een gunstig fiscaal regime.
Het Hof preciseert dat de “mifidisering” van het verzekeringsrecht, onder impuls van het Unierecht en met de IDD-richtlijn geïnspireerd op MiFID II, niet impliceert dat de regimes van tak 23-levensverzekeringen en van fondsgebonden financiële instrumenten volledig zouden moeten worden gealigneerd, ook niet inzake verjaring.
[1] HvJ EU, 31 mei 2018, C-542/16. Zie ook G. Laguesse en P. Proesmans, “Baromètre de jurisprudence en droit bancaire: 2019”, D.A.O.R., 2021/1, p. 30; Rb. Brussel (FR), 10 mei 2019, onuitg., A.R. 2016/7635/A.
[2] GwH, 22 oktober 2020, nr. 140/2020.
[3] Zie met name HvJ EU, 1 maart 2012, C-166/11, Alonso.
Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.
Geef een reactie