This post is also available in:
De context: een discretionair beheer in vraag en een verloren herbeleggingskans
Een vermogende cliënt dagvaardde zijn bankier en verweet hem dat hij, na de vereffening van alle financiële instrumenten in zijn portefeuille, getalmd had met de herbelegging van de vrijgekomen liquiditeiten, terwijl de bankier volgens de cliënt met het beheer van zijn tegoeden was belast. Voor de cliënt zou een snelle herbelegging de gevolgen van een eventuele negatieve marktbeweging zoveel mogelijk hebben beperkt. In werkelijkheid verweet de cliënt zijn bankier hem te hebben verhinderd te profiteren van een koersstijging die zich onmiddellijk na de vereffening van zijn portefeuille voordeed. Zijn gevorderde schade bedroeg ongeveer 200.000 EUR.
Het standpunt van de bank: geen aansprakelijkheid bij gebrek aan een overeenkomst van discretionair beheer (execution only)
De bankier betwistte elke aansprakelijkheid, gelet op het feit dat de cliënt de tussen hen bestaande overeenkomst van portefeuillebeheer had beëindigd, en dat de sindsdien verrichte beleggingen uitsluitend op instructie van de cliënt waren uitgevoerd.
De beslissing van de rechtbank: het bewijs van het beheersmandaat en de orders van de cliënt
De rechtbank herinnerde eraan dat het, op grond van de combinatie van de artikelen 1985 en 1341 van het Burgerlijk Wetboek, aan de cliënt toekwam het bestaan aan te tonen van een discretionair beheersmandaat dat aan de bank was toevertrouwd met betrekking tot de bekritiseerde verrichtingen. Dat bewijs botste op de schriftelijke orders die de cliënt had geplaatst na de beëindiging van de eerder gesloten beheersovereenkomst. Eén verrichting in het bijzonder trok de aandacht: zij was telefonisch geplaatst en werd enkel geregistreerd in het orderjournaal van de bankier en de rekeninguittreksels van de cliënt.
Over het telefonisch plaatsen van orders herinnerde de rechtbank eraan dat het geven van beursorders per telefoon gebruikelijk is en op zich niet voor kritiek vatbaar. De opname van de telefoongesprekken tussen de bankier en zijn cliënt was overigens niet verplicht (dat is vandaag, onder bepaalde voorwaarden, wel het geval).
Zijn rekeninguittreksels niet betwisten doet de goedkeuring van de erin vermelde verrichtingen vermoeden
Over de rekeninguittreksels oordeelde de rechtbank dat het uitblijven van betwisting door de cliënt van de op die uittreksels vermelde gegevens, meerdere maanden na de uitgifte ervan, de goedkeuring ervan deed vermoeden. Ook al werden de betrokken uittreksels enkel ter beschikking van de cliënt gehouden in zijn bankkantoor, toch nam hij het op zich er slechts eenmaal per jaar kennis van te nemen. De rechtbank benadrukte bovendien dat de cliënt over internetbankieren beschikte, waarmee hij de stand van zijn rekeningen en portefeuilles kon raadplegen, en dat de cliënt overigens geen loutere leek ter zake was.
Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.
Over hetzelfde onderwerp
- UCITS V en de bewaarder: oversight, cashflow monitoring en safekeeping
- Effectenportefeuille, een verkeerd uitgevoerd beursorder en fout van de bank: hoe de cliënt vergoeden?
- Private banking, MiFID II, coronavirus en werken op afstand: het bewijs van telefonische beleggingsorders en de verplichte opname
- Aansprakelijkheid bij vermogensbeheer: beoordeling achteraf, een gemiste fiscale wet, informatieplicht en het profiel van de belegger
- De kwalificatie van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten: economisch gelijkaardig, juridisch verschillend
Geef een reactie