De bank en de persoonsgegevens van haar cliënten (AVG, artikel 16): is een “É” beter dan een “E”?

This post is also available in: Français (Frans) English (Engels)

Een veeleisende cliënt. De heer “Borné” (een schuilnaam; het belangrijke element is de accent-“é” op het einde) was cliënt van bank X. In de databank van de bank was zijn naam enkel in hoofdletters geregistreerd, als “BORNE”, net als op zijn cheques, overschrijvingsformulieren en bankkaarten. Het informaticasysteem van de bank, ontwikkeld in de jaren 90, voorzag niet in de mogelijkheid om accenten in aanmerking te nemen, aangezien de namen van de cliënten er steeds in hoofdletters werden opgenomen. De cliënt meende dat de bank hem, zelfs in hoofdletters, als “BORNÉ” moest vermelden, veeleer dan met een doffe “e”. Het aanvaarden van een accent en de daaropvolgende aanpassing van de informaticasystemen van de bank vertegenwoordigde voor haar een uiterst aanzienlijke tijd en informaticakost, zonder verhouding tot het door de cliënt aangevoerde ongemak.

De Gegevensbeschermingsautoriteit beveelt de bank de gegevens te verbeteren

De Gegevensbeschermingsautoriteit beval de bank het nodige te doen om de gegevens van de cliënt te verbeteren, wat het ook koste, en een kopie van de beslissing op de website van de bank te publiceren. De aangevoerde grond: het recht op verbetering van de persoonsgegevens, artikel 16 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), is absoluut.

Het Marktenhof bevestigt

Het Marktenhof, een gespecialiseerde kamer van het hof van beroep te Brussel, is bevoegd voor de beroepen tegen beslissingen van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Op 9 oktober 2019 bevestigde het het standpunt van de Autoriteit. Het oordeelde dat het recht op verbetering van de persoonsgegevens, dat te allen tijde kan worden uitgeoefend, niet kan worden beoordeeld in het licht van het al dan niet bestaan van schade in hoofde van de betrokkene. Evenmin kan het redelijke karakter van een verzoek tot verbetering, en dus een eventueel rechtsmisbruik, worden beoordeeld. Het hof weigerde een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen en oordeelde dat de bewering dat de bijwerking van een computerprogramma een aantal maanden of een financiële meerkost zou vergen, een bankinstelling niet toelaat de rechten van de betrokkene te miskennen. Voor het hof komt de naleving van die rechten neer op een resultaatsverbintenis in hoofde van de verwerkingsverantwoordelijke. De bank stelde cassatieberoep in.

Dit artikel is een uittreksel uit onze “Barometer van de rechtspraak in bankrecht, 2019”, verschenen in het tijdschrift D.A.O.R.

Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.

Geef een reactie

Omhoog ↑

Ontdek meer van Banking and Finance law in Belgium

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder