This post is also available in:
In een eerdere bijdrage herinnerden wij aan de verplichtingen van de bank bij een garantie op eerste verzoek. Een recente Belgische appelbeslissing, hieronder besproken, biedt ook de gelegenheid om de regels inzake toepasselijk recht en rechterlijke bevoegdheid in het internationaal bankrecht in herinnering te brengen, toegepast op bankgaranties.
Een beslissing over een kennelijk abusief beroep op de garantie
Een Belgisch hof van beroep deed recent uitspraak nadat een beroep op een garantie kennelijk abusief werd bevonden. De begunstigde van de garantie had geen enkel recht op grond van de onderliggende overeenkomst.
Het hof herinnerde eraan dat de afwijzing van het beroep op de garantie slechts kan worden verantwoord door een misbruik dat, bij een beperkt onderzoek, geen ogenschijnlijke mogelijkheid tot betwisting laat. In casu, met gebruik van de in deze materie gangbare bewoordingen, sprong het kennelijk abusieve of frauduleuze karakter van het beroep op de garantie, bij een prima facie-beoordeling, in het oog [1].
Toepasselijk recht en bevoegde rechter bij bankgaranties
De partijen zijn vrij om hun keuze van het op de garantie toepasselijke recht in de garantiebrief op te nemen. Dat is ontegensprekelijk de eenvoudigste oplossing. Bij gebrek aan een dergelijke keuze regelt de Rome I-verordening [2] de vraag wanneer de partijen hun zetel in de verdragsluitende landen hebben: de verhoudingen uit bankgaranties worden immers als contractueel van aard beschouwd. Zijn buitenlandse partijen betrokken, dan geldt hetzij een internationaal instrument, hetzij het Wetboek van internationaal privaatrecht, dat in artikel 105 het recht aanwijst van de staat waar de garant zijn gewone verblijfplaats had op het ogenblik van zijn verbintenis [3].
Wat de rechterlijke bevoegdheid betreft, wijst de Brussel I bis-verordening [4], bij gebrek aan keuze van de partijen en indien de partijen hun zetel in een verdragsluitend land hebben, de rechter aan van het land waar de verweerder is gevestigd [5]. De kortgedingrechter is evenwel bevoegd om voorlopige en dringende maatregelen te nemen, zelfs indien zijn tussenkomst ingaat tegen de keuze van de partijen in de garantiebrief [6]. In België gaat het om de kortgedingrechter van de plaats van uitgifte van de garantie, zijnde de plaats van de maatschappelijke zetel van de uitgevende bank [7]. Een beslissing van de ondernemingsrechtbank van Henegouwen, zetelend in kort geding [8], past dat laatste beginsel toe. Een geschil was voor die rechtbank gebracht om de uitgevende bank te verbieden de garantie vrij te geven. De bank wierp evenwel een exceptie van onbevoegdheid op. Met toepassing van artikel 624 van het Gerechtelijk Wetboek verklaarde de rechtbank zich territoriaal onbevoegd en verwees zij de zaak naar de Brusselse rechtscolleges.
[1] Brussel, 25 februari 2021, R.D.C., 2021/2, p. 317 e.v., noot S. Jonckheere en L. Luytten de Alvear.
[2] Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PB L 177, 4.7.2008.
[3] W. David en M. Goffart, “L’appel à la garantie”, in M. Grégoire (ed.), Les sûretés, privilèges et hypothèques, vol. 1, Brussel, Bruylant, 2020, p. 394.
[4] Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB L 351, 20.12.2012.
[5] M. Delierneux, “Les garanties indépendantes, quinze ans de jurisprudence et de doctrine (de 1989 à 2003)”, D.B.F.-B.F.R., 2003/6, p. 351.
[6] Brussel, 22 december 1995, R.D.C., 1996, p. 1068.
[7] M. Delierneux, op. cit., p. 351; Ondernemingsrechtbank Henegouwen, afd. Charleroi, 23 december 2020, onuitg., C/20/00015.
[8] Ondernemingsrechtbank Charleroi, 23 december 2020, onuitg., C/20/00015.
Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.
Geef een reactie