This post is also available in:
Een algemene waakzaamheidsplicht van de cliënt ten aanzien van zijn bankrekeningen
In het bankrecht rust op elke cliënt, zoals op elke voorzichtige en zorgvuldige persoon, de plicht om aandachtig te zijn voor zijn bankrekeningen en voor de verrichtingen die op zijn rekening plaatsvinden. Elke cliënt moet ook regelmatig zijn rekeninguittreksels afhalen en eventuele abnormale of niet-toegestane verrichtingen snel betwisten. Het stilzwijgen van de cliënt, of het uitblijven van betwisting binnen korte termijn, doet een vermoeden van aanvaarding ontstaan. De cliënt die nalaat kennis te nemen van zijn rekeninguittreksels en de inhoud ervan te controleren, begaat een contractuele fout [1]. Dit beginsel geldt eveneens voor verrichtingen van beleggingsadvies of discretionair vermogensbeheer.
De banken nemen in hun algemene voorwaarden doorgaans bedingen op die deze beginselen concretiseren en die zowel voortvloeien uit een algemene voorzichtigheidsplicht als uit de verplichting van eenieder om zijn schade te beperken.
De verjaring van een vordering tegen een bank kan worden verkort
Sommige banken gaan verder en voorzien in hun algemene voorwaarden in een verkorting van de vijf- of tienjarige verjaringstermijn, naargelang het type aansprakelijkheid. Deze contractuele verkorting van de verjaringstermijn wordt unaniem aanvaard door de rechtsleer [2] en de rechtspraak [3], nu die termijn niet van openbare orde is.
In 2019 verzocht een cliënt voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout [4] om tussenkomst van zijn bank wegens verduisteringen op zijn rekening tussen 2002 en 2016, voor een totaalbedrag van meer dan een miljoen euro. Als eerste middel wierp de bank de onontvankelijkheid van de vordering op, op grond van de driejarige verjaringstermijn in haar Algemeen Reglement der Verrichtingen. De tegenstelbaarheid daarvan volgde met name uit de ondertekening door de cliënt van het rekeningopeningsdocument, dat de ontvangst, kennisname en aanvaarding van dat reglement stipuleerde.
Volgens de cliënt schond die verkorting van de gemeenrechtelijke verjaringstermijn de artikelen VI.82 en VI.83, 30° van het Wetboek van economisch recht, omdat zij zijn rechten tegenover de bank op ongepaste wijze beperkte [5]. Hij voerde ook aan dat zijn uittreksels naar de maatschappelijke zetel van zijn vennootschappen werden gestuurd, wat door de stukken van de bank werd tegengesproken.
De rechtbank herinnerde eraan dat het aan de rekeninghouder toekomt zijn bank het juiste adres te bezorgen waarnaar de uittreksels en de briefwisseling moeten worden gestuurd; de bank voert op dat punt enkel de instructies van haar cliënt uit. Meer algemeen rust op elke houder van bankrekeningen de plicht om het beheer en de opvolging van zijn financiën zorgvuldig te organiseren. In casu had de cliënt toegang tot zijn uittreksels via internet en kon hij, a fortiori, de verrichtingen op zijn rekeningen opvolgen om tijdig te betwisten wat hij niet-toegestaan achtte. De betwiste verrichtingen waren bovendien grotendeels gebeurd ten gunste van rekeningen van vennootschappen waarvan de cliënt bestuurder was en waartoe hij eveneens toegang had.
De rechtbank besloot dat de contractuele beperking van de verjaringstermijn tot drie jaar vanaf de litigieuze verrichtingen de vereisten van Boek VI van het Wetboek van economisch recht niet schendt en de rechten van de cliënt niet op onevenredige wijze beperkt. Alle vorderingen over verrichtingen van meer dan drie jaar vóór de gedinginleidende dagvaarding werden onontvankelijk verklaard.
De termijn van 13 maanden voor niet-toegestane betalingstransacties
Voor de overige verrichtingen binnen de drie jaar vóór de dagvaarding paste de rechtbank artikel VII.41, § 1 van het Wetboek van economisch recht toe. Elke gebruiker van betalingsdiensten moet de bank bij een niet-toegestane verrichting verwittigen binnen een maximumtermijn van 13 maanden vanaf de valutadatum van de debitering. Ook op die basis verklaarde de rechtbank de aanspraken van de cliënt onontvankelijk [6].
Deze termijn van 13 maanden is bijzonder belangrijk in alle gevallen van phishing, bankkaartfraude of internetoplichting.
[1] Brussel, 4 maart 2004, D.B.F., 2004, 227, noot R. Steennot; Kh. Brussel, 13 januari 1998, R.D.C., 1999, 680.
[2] M. Marchandise, “La prescription”, in De Page, Traité de droit civil belge, dl. VI, Brussel, Bruylant, 2014, nr. 265; zie ook Brussel, 29 maart 2012, J.L.M.B., 2012/25, pp. 1190-1203; Brussel, 8 oktober 2012, R.G.A.R., 2013, p. 14961.
[3] Kh. Brussel, 8 april 2014, onuitg., A.R. A/5766/2011; Kh. Brussel, 18 november 2014, onuitg., A.R. 13/07390; Rb. Brussel, 6 juni 2017, onuitg., A.R. 15/7121/A; Rb. Waals-Brabant, 12 oktober 2015, onuitg., A.R. 14/619/A; Kh. Brussel, 22 mei 2014, onuitg., A.R. 3621/13; Rb. Brussel, 18 november 2014, D.B.F., 2014, 290.
[4] Rb. Turnhout, 25 juni 2019, onuitg., A.R. 18/1390/A.
[5] De cliënt beriep zich op een arrest van het hof van beroep te Luik (Luik, 6 maart 2014, D.A.O.R., 2014, 111, 184). De rechtbank weigerde de analoge toepassing: die zaak betrof een fraude georganiseerd door zelfstandige agenten van een bank, die er uitdrukkelijk voor hadden gezorgd dat de cliënte de fraude niet kon ontdekken, met name door haar uittreksels naar de frauderende agent te laten sturen. In die precieze omstandigheden had de cliënte werkelijk geen enkele mogelijkheid gehad om haar rechten tijdig uit te oefenen.
[6] Wat de rechtbank, a fortiori, ook had kunnen doen voor de eerdere verrichtingen, los van de toepassing van het Algemeen Reglement der Verrichtingen van de bank.
Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.
Geef een reactie