This post is also available in:
Dit artikel maakt deel uit van ons dossier Internationale sancties en beperkende maatregelen.
Het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en de georganiseerde criminaliteit worden beschouwd als één van de grote problemen waarop de nationale overheden en de internationale instanties een antwoord willen bieden, teneinde de soliditeit, de integriteit en de stabiliteit van het gehele financiële stelsel te waarborgen. De banken, recent met de vinger gewezen na de onthulling van de FinCEN Files, krijgen zware verplichtingen opgelegd.
Welke regels gelden inzake de preventie van witwassen?
Binnen het geheel van regels inzake witwassen en terrorismefinanciering onderscheidt men (1) een repressief luik en (2) een preventief luik.
Het repressieve luik steunt op het Strafwetboek (art. 42 e.v. en 505) en het Wetboek van strafvordering. Het Strafwetboek gebruikt de notie “witwassen” niet en behandelt het witwassen van illegale vermogensvoordelen als een bijzondere vorm van heling. Daaruit vloeien drie witwasmisdrijven voort: het kopen, in ruil of gratis ontvangen, bezitten, bewaren of beheren van illegale vermogensvoordelen; het omzetten of overdragen ervan; en het verhullen van de aard, oorsprong, plaats, beschikking, beweging of eigendom van die voordelen.
Het preventieve luik steunt op de Europese en de Belgische wetgeving. Het Unierecht berust op Richtlijn (EU) 2015/849 van 20 mei 2015, gewijzigd door Richtlijn 2018/843, en op de 40 aanbevelingen van de FATF/GAFI. In België vormt de “antiwitwaswet” van 18 september 2017 grotendeels het toepasselijke kader, aangevuld door het Reglement van de Nationale Bank van België (NBB) van 21 november 2017.
Anders dan het Strafwetboek geeft artikel 2 van de wet een definitie van “witwassen”: 1° de omzetting of overdracht van geld of goederen waarvan men weet dat ze uit een criminele activiteit voortkomen, met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verhullen of iemand te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen; 2° het verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, plaats, beschikking, beweging of eigendom ervan; 3° de verwerving, het bezit of het gebruik van dergelijke goederen; en 4° de deelneming aan, medewerking aan of het vergemakkelijken van een van die handelingen. Ook de “financiering van terrorisme” wordt door de wet gedefinieerd als het verzamelen of verstrekken van fondsen of andere materiële middelen, met de bedoeling dat ze door een terroristische organisatie of een alleen handelende terrorist worden gebruikt, zelfs zonder verband met een concrete terroristische daad.
Wat beoogt de antiwitwaswetgeving?
Geld en andere goederen worden geacht een “illegale herkomst” te hebben indien zij voortkomen uit een van de basismisdrijven of criminele activiteiten die limitatief in de wetgeving zijn opgesomd, zoals sociale fraude, georganiseerde criminaliteit, ernstige fiscale fraude, illegale drugshandel, beursmisdrijven of misbruik van vennootschapsgoederen.
Op wie zijn de regels van toepassing?
De antiwitwaswet is van toepassing op de entiteiten die limitatief in de wet zijn opgesomd, zoals kredietinstellingen, betalingsinstellingen, beleggingsondernemingen, notarissen, advocaten, boekhoudkundige beroepen, ondernemingen die kansspelen exploiteren, en ook professionele voetbalclubs en sportmakelaars (de “onderworpen entiteiten”). De wet is van toepassing op de in België uitgeoefende activiteiten door in België gevestigde personen of ondernemingen.
Wat zijn de verplichtingen van de onderworpen entiteiten?
In het kader van de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (WG/FT) moeten de onderworpen entiteiten volledig meewerken en alle nodige maatregelen nemen. De wet splitst deze basisverplichting op in zes specifieke verplichtingen.
1e verplichting: globale risicobeoordeling
De onderworpen entiteit moet de kenmerken van haar cliënteel, de aangeboden producten, diensten en verrichtingen, de betrokken landen of geografische zones en de gebruikte distributiekanalen analyseren, rekening houdend met de door de wet bedoelde risicofactoren en variabelen. De beoordeling gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de daartoe aangewezen persoon (de AMLCO) en verloopt in drie fasen: identificatie van het risico, analyse van de tekortkomingen (gap-analyse), en rectificatie binnen een gepaste termijn. Zij wordt vastgelegd in een schriftelijk document dat ter beschikking van de toezichthouders wordt gehouden.
2e verplichting: screening van de cliënten
De entiteit moet de identiteit van de cliënten identificeren en verifiëren aan de hand van betrouwbare bronnen, in een mate die evenredig is met het risico. Een screening is vereist zodra een cliënt een zakelijke relatie wil aangaan of een occasionele verrichting wil uitvoeren, in beginsel vóóraf. Voor occasionele verrichtingen is een screening verplicht wanneer het bedrag 10.000 EUR bereikt of overschrijdt, wanneer het meer dan 1.000 EUR bedraagt bij een geldoverdracht in de zin van de Europese verordening, of bij verrichtingen met contant of anoniem elektronisch geld. Is een screening onmogelijk, dan mag de entiteit de relatie niet aangaan noch de verrichting uitvoeren, en moet zij een reeds aangegane relatie beëindigen. De screening viseert drie categorieën: de cliënten, de lasthebbers en de uiteindelijke begunstigden.
Verhoogde waakzaamheid. Bij een hoog risico past de entiteit verscherpte waakzaamheidsmaatregelen toe. Het risico is “verhoogd” wanneer de cliënt een politiek prominent persoon (PEP) is, wanneer de relatie loopt via een derde land met hoog risico, wanneer de screening in de loop van de relatie plaatsvindt, bij ernstige fiscale fraude, of bij grensoverschrijdende correspondentbankrelaties. Onder een PEP verstaat men natuurlijke personen die een belangrijke openbare functie bekleden of hebben bekleed, alsook hun naaste familieleden en naaste geassocieerden.
3e verplichting: cliëntacceptatiebeleid
De onderworpen entiteiten, en in het bijzonder de financiële instellingen, moeten een cliëntacceptatiebeleid invoeren. De cliënten worden ingedeeld volgens een risicoschaal, en personen van een gepast hiërarchisch niveau krijgen de bevoegdheid om te beslissen over het aangaan van relaties met die cliënten of het uitvoeren van de gewenste verrichting.
4e verplichting: doorlopende waakzaamheid en organisatorische vereisten
De strijd tegen WG/FT vereist een doorlopende waakzaamheid gedurende de gehele relatie, in verhouding tot het risico. De entiteiten moeten (a) atypische verrichtingen en intrigerende feiten opsporen en (b) verouderde cliëntgegevens actualiseren. Een verrichting kan atypisch zijn door haar objectieve kenmerken (abnormale complexiteit, ongewoon hoog bedrag) of door de kenmerken van de cliënt (onverenigbaarheid met diens profiel of met de aard van de relatie). Het toezicht wordt verzekerd door twee verdedigingslijnen: de medewerkers in rechtstreeks contact met de cliënt en een intern bewakingssysteem.
Organisatorische vereisten. De entiteiten moeten beleid, procedures en internecontrolemaatregelen vaststellen die de naleving verzekeren van de regelgeving inzake WG/FT, financiële embargo’s en de bevriezing van tegoeden. Een lid van de effectieve leiding moet als eindverantwoordelijke worden aangewezen, en één of meer personen als verantwoordelijke voor de toepassing van de wet (AMLCO). Het personeel moet worden gesensibiliseerd en opgeleid, en er moet een intern meldsysteem (klokkenluidersregeling) worden ingesteld waarmee inbreuken, desgevallend anoniem, kunnen worden gemeld.
5e verplichting: samenwerking met de CFI
Bij vermoedens of redelijke gronden tot vermoeden moeten de entiteiten dit onmiddellijk melden aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI). De verdachte verrichting moet in beginsel vóór de uitvoering worden gemeld, tenzij de aard ervan uitstel belet. De entiteiten zijn tot geheimhouding gehouden en mogen de betrokken cliënt of derden niet inlichten (tipping-off-verbod). Een te goeder trouw gedane melding beschermt de melder tegen burgerrechtelijke, strafrechtelijke of tuchtrechtelijke vervolging.
6e verplichting: bewaring van gegevens en documenten
De financiële instellingen moeten gedurende tien jaar bewaren: de identificatiegegevens van de cliënten, de bewijsstukken van de identiteitsverificatie, de registratiegegevens van de verrichtingen die nodig zijn voor de precieze reconstructie ervan, de verslagen over atypische verrichtingen en de aan- of verkoopborderellen in het kader van de valutahandel.
Wat bij niet-naleving van de antiwitwasregels?
De schending van de preventieve regels leidt in beginsel niet tot strafvervolging, behoudens met name wanneer de entiteiten de inspecties van de toezichthouders belemmeren. De toezichthouders kunnen administratieve geldboetes opleggen, aan de entiteit zelf of aan natuurlijke personen (bestuurders, directie), alsook dwangsommen, en kunnen overgaan tot schorsing of intrekking van de vergunning.
Enkele bijzondere regels
Geldoverdrachten moeten overeenkomstig Verordening (EU) 2015/847 vergezeld gaan van bepaalde identificatiegegevens van de opdrachtgever, om te verhinderen dat de Europese betaalsystemen voor WG/FT worden gebruikt. Kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en wisselkantoren moeten een aan- of verkoopborderel opstellen bij de contante aan- of verkoop van deviezen. Contante betalingen en schenkingen zijn in beginsel beperkt tot 3.000 EUR voor schijnbaar verbonden verrichtingen (de regel geldt niet tussen consumenten), en de prijs van een onroerend goed mag enkel per overschrijving of cheque worden voldaan.
Dit artikel is een vertaling. Enkel de Franse versie is authentiek. Het wordt louter ter informatie verstrekt en vormt geen juridisch advies.
Over hetzelfde onderwerp
- Stand van zaken van de participatieve financiering (regelgeving van crowdfunding en platformen)
- Hervorming (2016) van het hypothecair krediet in België
- Taxonomie: what’s in a name? (aflevering 2)
- De weigering een bankrekening te openen: de ondernemingen en de basisbankdienst
- De zaak Kobelco en de aansprakelijkheid van tussenpersonen: het aangeboden product goed kennen
Geef een reactie